Brand

Sykje

Soarch Oan it wurd

Anne-Goaitske Breteler

Stille troost

Geplaatst op 21 maart `24
5 minuten leestijd
Anne-Goaitske Breteler

Stille troost

Al een aantal jaar doe ik onderzoek naar de omgang met geestelijke gezondheid op het platteland. Een bevriende psychiater zette mij daartoe aan toen hij wees op de grote verschillen die hij zag tussen zijn cliënten uit de stad en die van het platteland. Volgens hem kon dat niet enkel te wijten zijn aan biologische factoren, zoals erfelijkheid. Hij dacht dat er ook een sociale component aan ten grondslag moest liggen.

Taboe 

Die vraag trok mijn aandacht. Zou het inderdaad zo kunnen zijn dat er een verschil bestaat tussen mentale gezondheid op het platteland en in de stad? Om dat te ontdekken wilde ik vanuit cultuurhistorisch perspectief toewerken naar het heden. Ik stelde de vraag: hoe gingen plattelanders vroeger om met negatieve emoties en afwijkend gedrag, en wat valt daar nu nog van terug te vinden?  

Vanuit mijn antropologische achtergrond vond ik het belangrijk om vooral gebruik te maken van kwalitatieve bronnen. Dat betekende in mijn geval: heel veel interviews afnemen. Door die gesprekken met plattelanders, van jong tot oud, verspreid over Friesland − de casus van mijn onderzoek − werd duidelijk dat het taboe op mentale problemen hier een grote rol speelt.  

Het stigma schijnt zelfs groter te zijn op het platteland dan in de steden. Een conclusie die niet enkel uit de interviews naar voren kwam, ook kwantitatieve studies laten het zien. Uit cijfers van het CBS valt op te maken dat vooral stedelingen gebruikmaken van psychische bijstand, bijvoorbeeld door de GGZ. In de plattelandsgebieden wordt echter veel minder aanspraak gemaakt op institutionele geestelijke gezondheidszorg.  

Het lijkt daardoor misschien alsof de mensen op het platteland minder last hebben van psychische klachten, maar kijkend naar het aantal suïcidegevallen in Nederland wordt een ander beeld geschetst. Het is onmiskenbaar dat de meeste zelfdodingen voorkomen in de plattelandsgebieden van Nederland. Er worden dus wel mentale problemen ervaren, maar het lijkt alsof de stap naar hulpverleners groter is.   

Een gebrek aan woorden
Het CBS wijt het hoge aantal suïcides op het platteland onder meer aan het grotere taboe dat er heerst op geestelijke ongezondheid. En ook in de geschiedenis lijkt dat stigma er al te zijn geweest. Gesprekken over mentale problemen werden lange tijd vermeden op het platteland. In de kleine gemeenschappen waar iedereen elkaar goed kende, was het risico om buitengesloten te worden bij het vertonen van abnormaal gedrag groot. Velen durfden het daarom niet te riskeren om blijk te geven van de zielenroerselen die hen misschien wel minder ‘normaal’ zouden maken ten opzichte van de rest van de gemeenschap.   

De rurale gebieden lagen tot halverwege de twintigste eeuw geïsoleerder. Er waren geen sociale media die andersdenkenden en nieuwe perspectieven met elkaar konden verbinden. Tegenwoordig wordt door de jongere generaties gebroken met die traditie van stilzwijgen. Zij spreken gemakkelijker over psychische gesteldheid, maar het valt op dat zij daarvoor veelal gebruikmaken van leenwoorden uit andere talen. Denk maar aan ‘een burn-out hebben’, ‘zich down voelen’ of ‘gestrest zijn’.  

Blijkbaar is het lastig om diezelfde uitdrukkingen onder woorden te brengen in talen die dichterbij staan. Dat geldt voor het Nederlands, maar vooral ook in het Fries valt het op dat de woordenschat tekortschiet. Zo zijn er bijvoorbeeld wel twintig verschillende woorden voor lisdodde, maar als het om ‘neerslachtigheid’ gaat, dan telt het Fries er maar een stuk of drie.  

Volgens mij ligt daar een belangrijk pijnpunt: doordat er lange tijd niet gesproken werd over onderwerpen als mentaal welzijn, ontwikkelde zich de taal om die gevoelens in te vatten niet mee. De benamingen voor verschillende emoties zijn daardoor niet doorgegeven aan de nieuwe generaties, maar er werden in de loop der tijd ook geen nieuwe woorden aan het vocabulaire toegevoegd.  

Onderzoeksresultaten 

De psychiaters die ik voor mijn onderzoek sprak, onderschrijven dat het juist zo belangrijk is om emoties te kunnen vertalen naar woorden en zinnen. Dat vergt namelijk introspectie, en verbinding met het eigen gevoelsleven. Bewustwording van de emoties die worden ervaren, schept orde in het brein. Dat heeft een positieve uitwerking op het mentale welzijn, terwijl onderdrukking van bepaalde emoties juist nadelige effecten kan opleveren.  

Bovendien doet blijken dat het verbaliseren van het mentale welzijn effectiever is in de moedertaal. Psychotherapie werkt dan bijvoorbeeld twee keer zo effectief. Misschien wordt het tijd om bestaande woorden in eigen taal of dialect op te rakelen en te herintroduceren. En om gelijktijdig daarin nieuwe woorden aan te dragen, zodat het gevoelsleven in zijn geheel tot uitdrukking kan komen.  

Als die gesprekken gevoerd kunnen worden over het ervaren van negatieve gevoelens, dan draagt dat niet enkel bij aan de individuele ordening van emoties. Het zorgt er ook voor dat langzaamaan het taboe op het platteland wordt doorbroken, waardoor mensen uiteindelijk gemakkelijker met elkaar zullen durven praten. En hopelijk zal het mensen aansporen om al in een eerder stadium van geestelijke ongezondheid in te grijpen en hulp te zoeken. Opdat de stille troost een luide mag worden.   

Anne-Goaitske Breteler (1996) groeide op yn it noardeasten fan Fryslân. Mei in eftergrûn yn de kulturele antropology en publyksskiednis ûndersiket, skriuwt en presintearret sy ferhalen fan it plattelân. 

Klik hier voor de Friese vertaling van het artikel (PDF).